BLAStcafé – Nieuwe perspectieven: de kracht van ontwerpend onderzoek
Wanneer: woensdag 23 september 2026, 20:00–22:00 uur
Locatie: BLASt, Breda (NB)
Toegang: gratis
Tijdens het BLAStcafé Nieuwe Perspectieven staat de kracht van ontwerpend onderzoek centraal. Vier ontwerpers laten vanuit verschillende schaalniveaus zien hoe ontwerp kan worden ingezet om complexe ruimtelijke en maatschappelijke vraagstukken te onderzoeken, nieuwe perspectieven te ontwikkelen en gesprekken op gang te brengen. De bijdragen lopen uiteen van de verstedelijkingsopgave in Brabant tot de leefbaarheid van een wijk, sociale veiligheid in de openbare ruimte en de opvang van asielzoekers.
Een terugkerend uitgangspunt is dat ontwerpend onderzoek niet begint met een vooraf vaststaande oplossing. Ontwerpers onderzoeken, verzamelen kennis en ervaringen, verbeelden mogelijke alternatieven en stellen de ontwerpvraag gaandeweg scherper. Ontwerp is daarmee niet alleen een manier om iets te maken, maar ook een middel om anders naar een probleem te leren kijken en partijen bij elkaar te brengen.
BLASt is onderdeel van een landelijk netwerk van architectuurinitiatieven. De Stichting Coördinatie Lokale Architectuurinitiatieven (CoLA) is het landelijke coördinatiepunt. Centraal in dit netwerk staat het bouwen aan een architectuurcultuur: het gezamenlijk voeden van een dialoog waarin architectuur niet alleen een ruimtelijke of ontwerpopgave is, maar ook een culturele. Hoe kan architectuur bijdragen aan een rechtvaardige, diverse en inclusieve samenleving?
Ook landelijk wordt het belang hiervan onderkend. In het kader van het Activiteitenplan CoLA x Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp (ARO) 2026–2028 ontwikkelen vijf landsdelen een regionaal programma rondom de rol en betekenis van ontwerpend onderzoek als instrument voor maatschappelijke dialoog, beleidsvernieuwing en publieke betrokkenheid bij de ruimtelijke toekomst van Nederland. In de door ARO gepubliceerde Gids is een verzameling ontwerpend onderzoek van de afgelopen jaren te vinden, die deze toekomst verbeeldt en de transitiepaden uitstippelt.
1. Verstedelijkingsstrategie Brabant – Simon Dona
Stedenbouwkundige Simon Dona presenteert de Verstedelijkingsstrategie Brabant. Voor hem is ontwerpend onderzoek vooral een middel om complexe ruimtelijke vraagstukken inzichtelijk te maken. Een nieuwsgierige en open houding is daarbij essentieel. Eerst wordt gezamenlijk een feitenbasis opgebouwd; vervolgens worden mogelijke oplossingen onderzocht, getest en beoordeeld. Het proces bestaat volgens Dona uit een voortdurende wisselwerking tussen onderzoeken, ontwerpen, effecten bepalen en keuzes maken.
De strategie voor Brabant bestaat uit verschillende lagen, waaronder bodem en water, landschap en natuur, energie, woningbouw en mobiliteit. Het ontwerp wordt per laag op een andere manier ingezet. Bij bodem en water is de benadering relatief technisch: met onder meer klimaatkaarten kan worden onderzocht waar ontwikkeling wel of niet geschikt is. Bij woningbouw helpt ontwerp juist om de maatschappelijke en ruimtelijke gevolgen van keuzes zichtbaar te maken.
Een belangrijk inzicht is de demografische ontwikkeling van Brabant. Tussen 2020 en 2050 groeit de provincie naar verwachting met circa 280.000 inwoners, waarvoor ongeveer 200.000 woningen nodig zijn. Na 2050 neemt de bevolkingsgroei echter af. Volgens Dona betekent dit dat de huidige woningbouwopgave niet alleen een kwantitatieve opgave is, maar ook een belangrijke kans om de toekomstige kwaliteit van Brabant te beïnvloeden.
Brabant vergrijst en huishoudens worden kleiner, terwijl de bestaande woningvoorraad daar niet goed op aansluit. Tegelijkertijd is de dichtheid van steden in de afgelopen decennia sterk afgenomen. Dona pleit daarom voor zorgvuldig omgaan met de beschikbare woningbouwopgave: woningen moeten vooral worden ingezet op plekken waar ze meerdere opgaven tegelijk kunnen helpen oplossen. Hij noemt onder meer naoorlogse wijken, kwetsbare gebieden, stedelijke centra, middelgrote steden, stationsgebieden, vrijkomend agrarisch erfgoed en dorpskernen.
Ontwerpend onderzoek helpt daarbij om niet alleen te vragen waar woningen kunnen worden gebouwd, maar vooral waar woningbouw maatschappelijke en ruimtelijke meerwaarde kan creëren.
2. Woonlandschap voor generaties – Patrick van Schaik
Patrick van Schaik richtte zijn afstudeeronderzoek op de Haagse Beemden, de wijk waarin hij zelf is opgegroeid. Aanleiding was een bericht dat de wijk bijna “af” zou zijn. Volgens Van Schaik is een wijk echter nooit af: zij moet met veranderende generaties en omstandigheden kunnen meegroeien.
De Haagse Beemden telt ongeveer 25.000 inwoners en kenmerkt zich door veel groen, ruimte en rust. Tegelijkertijd zijn er problemen rond voorzieningen, vergrijzing, afnemende dichtheid en ontmoeting. Het aantal inwoners is in ongeveer dertig jaar gedaald van circa 30.000 naar 25.000. Vooral de groep van 25 tot 44 jaar is kleiner geworden, terwijl het aandeel ouderen toeneemt.
Van Schaik ziet daarnaast dat verschillende generaties steeds meer langs elkaar heen leven. Kinderen, gezinnen en ouderen bewegen zich in verschillende sociale circuits. Dat heeft ook een ruimtelijke oorzaak: functies zijn sterk van elkaar gescheiden en sommige openbare plekken zijn weinig geschikt voor ontmoeting tussen verschillende groepen. Ook parkeerplaatsen hebben soms de plaats ingenomen van plekken die oorspronkelijk bedoeld waren voor ontmoeting.
In plaats van alleen naar aantallen woningen te kijken, onderzocht Van Schaik hoe de bestaande sociale netwerken, het groen en de ruimtelijke structuur beter benut kunnen worden. Hij werkte samen met het wijknetwerk en sprak met ongeveer honderd mensen. Ook sprak hij met landschapsarchitect Frans Maas, die betrokken was bij het oorspronkelijke ontwerp van de wijk. Daaruit kwam onder meer naar voren dat de hoofdstructuur van de wijk sterk is, maar dat juist op het niveau van pleinen, ontmoetingsplekken en verbindingen veel verbeteringen mogelijk zijn.
Zijn toekomstbeeld voor 2075 is een intergenerationeel woonlandschap, waarin verschillende generaties elkaar gemakkelijker ontmoeten en ondersteunen. Senioren worden daarbij niet alleen gezien als een vergrijzingsvraagstuk, maar ook als een bron van kennis, vaardigheden en maatschappelijke betrokkenheid.
Van Schaik onderscheidt vier ontwikkellijnen: een sociaal, actief, nabij en gemengd woonlandschap. Hij stelt onder meer voor om een groot groengebied in het hart van de wijk sterker bij de wijk te betrekken en bestaande sociale knooppunten te versterken. Ook het landgoed De Burgst kan volgens hem meer betekenis krijgen voor de wijk, bijvoorbeeld door routes en maatschappelijke activiteiten.
De wijk moet volgens Van Schaik vooral worden gezien als een levende structuur die zich verder kan ontwikkelen, niet als een afgerond stedenbouwkundig product.
3. She Walks the City – Sanne Knijff
Sanne Knijff onderzocht voor de gemeente Breda hoe het vrouwelijke perspectief beter kan worden meegenomen in het ontwerp van de openbare ruimte. Het uitgangspunt was dat veel vrouwen zich in de openbare ruimte niet vanzelfsprekend veilig voelen en hun gedrag daarop aanpassen.
Knijff gebruikte verschillende onderzoeksmethoden: interviews met experts en vrouwen, observaties, literatuuronderzoek en co-designsessies. Daarbij onderzocht zij niet alleen welke plekken als prettig of onprettig worden ervaren, maar ook wat vrouwen daadwerkelijk doen wanneer zij zich onveilig voelen. Voorbeelden zijn omlopen, plekken vermijden, zachter praten of muziek uitzetten, de omgeving voortdurend scannen of iemand bellen.
Een belangrijk inzicht was dat dit gedrag grotendeels onzichtbaar en moeilijk meetbaar is. Daardoor bestaat het risico dat het onvoldoende wordt meegenomen in beleids- en ontwerpkeuzes.
Eerder richtte Knijff haar onderzoek vooral op vrouwen als doelgroep. Gaandeweg verschoof de focus naar de mensen die binnen de gemeente daadwerkelijk keuzes maken: beleidsmakers en ontwerpers. Het doel werd om hen de ervaring van vrouwen te laten beleven en zo tot reflectie te stimuleren.
Daaruit ontstond een interactieve installatie. Gebruikers stappen letterlijk op een plaat, waarna beelden van herkenbare situaties en gedragingen zichtbaar worden. De installatie probeert daarmee de gebruiker in de ervaring van een vrouw te laten stappen. Vervolgens wordt een reflectievraag gesteld over wat de ervaring zegt over hoe vrouwen zich door de stad bewegen. De reacties kunnen worden meegenomen naar gemeentelijke overleggen.
De installatie is daarmee geen eindoplossing voor sociale veiligheid, maar een ontwerpmiddel om een vaak onzichtbaar perspectief zichtbaar en bespreekbaar te maken. De gemeente Breda wil de installatie in november 2026 daadwerkelijk gebruiken binnen de organisatie, onder meer bij medewerkers uit stedenbouw, veiligheid en het sociaal domein.
4. De Wachtkamer – Anneloes de Koff
Architect Anneloes de Koff presenteert De Wachtkamer, een project van een coalitie van ontwerpers over de leefomstandigheden in Nederlandse opvanglocaties voor asielzoekers.
Door de druk op de asielopvang verblijven veel mensen in noodopvanglocaties waar minder eisen gelden voor bijvoorbeeld oppervlakte, ventilatie en daglicht. De ontwerpers onderzochten hoe binnen die moeilijke omstandigheden toch verbeteringen mogelijk zijn.
Het onderzoek begon niet met een vast ontwerp, maar met gesprekken met mensen die zelf in opvanglocaties hadden gewoond. Ook ontwerpers met een vluchtachtergrond werden actief betrokken. Door ervaringen en foto’s van verschillende opvangplekken gezamenlijk te analyseren, werd duidelijk dat de slaapruimte een grote invloed heeft op het welzijn. Juist daar brengen bewoners veel tijd door en ontbreekt vaak privacy.
Samen met bewoners van een opvanglocatie in Bleskensgraaf werd onderzocht welke problemen daar het meest urgent waren. Uiteindelijk ontstond een ontwerp voor een bedombouw rond bestaande stapelbedden. Deze biedt meer privacy, betere akoestiek en de mogelijkheid om het bed aan te passen, zodat bewoners zowel boven als beneden rechterop kunnen zitten. Een eigen lampje geeft bovendien een klein maar belangrijk stukje controle over de eigen leefomgeving.
Het ontwerp werd stapsgewijs ontwikkeld met prototypes en feedback van bewoners. Inmiddels zijn op verschillende locaties bedden geplaatst.
Voor De Koff is het bed meer dan alleen een praktische oplossing. Het is een tastbaar instrument om het bredere debat over menswaardige opvang te voeren. Het ontwerp laat zien dat relatief eenvoudige ingrepen verschil kunnen maken, maar tegelijkertijd ook dat het bed de structurele problemen van de opvang niet oplost.
Het project fungeert bovendien als ingang voor gesprekken met gemeenten. De belangstelling voor het bed leidt regelmatig tot bredere gesprekken over de leefbaarheid van opvanglocaties en de rol die ontwerpers daarin kunnen spelen.
5. Wat is de maatschappelijke rol van ontwerpend onderzoek?
In het gezamenlijke gesprek wordt duidelijk dat de vier projecten verschillen in schaal en onderwerp, maar een aantal uitgangspunten delen.
Perspectief veranderen is een belangrijk doel. Volgens Peter van Schie probeert ontwerpend onderzoek mensen op een andere manier naar een opgave te laten kijken. Verbeelding speelt daarbij een grote rol. Een ontwerp kan zichtbaar maken wat nog niet bestaat en daardoor nieuwe gesprekken mogelijk maken.
Daarnaast is het betrekken van gebruikers essentieel. Zowel Van Schaik, Knijff als De Koff begonnen nadrukkelijk vanuit ervaringen van mensen die met het vraagstuk te maken hebben. De ontwerper is daarbij niet degene die vooraf de oplossing bepaalt, maar onderzoekt samen met betrokkenen wat er werkelijk speelt.
Ontwerpend onderzoek kan ook functioneren als vertaler en agenderend instrument. Ontwerpers kunnen abstracte cijfers en beleidsvraagstukken vertalen naar beelden, ervaringen en concrete alternatieven. Daardoor kunnen zij verschillende werelden met elkaar verbinden: bewoners, gebruikers, ontwerpers, ambtenaren en bestuurders.
Chris de Lange van de Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp benadrukt dat ontwerpend onderzoek geen oplossing voor maatschappelijke problemen op zichzelf is, maar wel een belangrijke bijdrage kan leveren. Hij onderscheidt onder meer verkennend, strategisch en operationeel ontwerpend onderzoek. Ook kan het onderzoek vertrekken vanuit de systeemwereld, bijvoorbeeld een gemeente, of juist vanuit de leefwereld van bewoners en gebruikers.
Tijdens de discussie wordt bovendien benadrukt dat ontwerp niet alleen moet worden ingezet om een fysieke oplossing te maken. Het kan ook helpen om problemen zichtbaar te maken, gedrag en aannames ter discussie te stellen en beleidsmakers aan het denken te zetten.
Dat leidt tot een belangrijk spanningsveld. Verschillende deelnemers wijzen erop dat ontwerp maatschappelijke problemen niet bij de bron kan oplossen. Een veiliger openbare ruimte neemt bijvoorbeeld niet automatisch de oorzaken van onveilig gedrag weg, en een beter bed lost de structurele problemen van de asielopvang niet op. De ontwerpers erkennen dit: hun projecten zijn juist bedoeld om binnen bestaande omstandigheden verbeteringen te realiseren én het bredere probleem zichtbaar te maken.
Conclusie
De avond laat zien dat ontwerpend onderzoek vooral een manier van werken is. Het combineert onderzoek, verbeelding, gesprekken met gebruikers, experiment en ontwerp om een vraagstuk beter te begrijpen en nieuwe mogelijkheden te onderzoeken.
De vier projecten laten verschillende functies van ontwerp zien:
• op provinciale schaal helpt ontwerp om ruimtelijke keuzes en consequenties inzichtelijk te maken;
• op wijkniveau helpt het om sociale en ruimtelijke ontwikkelingen met elkaar te verbinden;
• bij sociale veiligheid maakt ontwerp een vaak onzichtbare ervaring zichtbaar;
• bij de opvang van asielzoekers maakt een concreet ontwerp zowel een directe verbetering als een groter maatschappelijk probleem zichtbaar.
De rode draad is dat de ontwerper niet alleen een oplossing ontwerpt, maar ook helpt om de juiste vragen te stellen, perspectieven te veranderen, ervaringen zichtbaar te maken en partijen met elkaar in gesprek te brengen. Ontwerpend onderzoek is daarmee niet het eindpunt van een proces, maar een instrument om samen verder te komen.
Auteur: Ton Gjeltema

